Biotisch wateronderzoek (waterdiertjes)

Het biotisch wateronderzoek richt zich in Bastion VIII volledig op de macro-invertebraten (macro = zichtbaar met het blote oog, invertebraten = ongewervelden). We maken voor dit onderzoek gebruik van zeefjes, emmers, loupjes, lepeltjes en curverboxen. Al dit materiaal is aanwezig in het bezoekerscentrum. Naast dit materiaal gebruiken we ook nog determinatietabellen, aangepast aan de leeftijd, met daarin de in Bastion VIII meest voorkomende dieren. Hieronder vind je een lijst van deze dieren met wat extra uitleg.

A. Platwormen H. Nimfen van haften
B. Bloedzuigers I. Nimfen van echte libellen
C. Borstelwormen                        J. Nimfen van waterjuffers
D. Weekdieren K. Kokerjuffers
E. Schaaldieren L. Larven van vliegen en muggen
F. Waterwantsen M. Zoetwaterpoliep, watermijt, steenvlieg en slijkvlieg
G. Kevers  

A.  Platwormen   [terug]      

Voedsel: Platwormen hebben een uitstulpbare slokdarm (farynx). Als ze een prooi vinden, scheiden ze verteringssappen op de prooi uit en de slokdarm wordt uitgestulpt. Nadien zuigen ze dan de vloeibaar geworden delen op. Het zijn vooral trage en zieke dieren die hun prooi vormen bv schaaldieren, insectenlarven en borstelwormen. Zelf dienen ze als voedsel voor grotere rovers. In geval van droogte kunnen de wormen zich inkapselen en op deze manier kunnen ze jaren zonder voedsel overleven.
Voortbeweging: Een glijdende beweging door samentreken en uitrekken.
Ademhaling: Zuurstofgas wordt door de huid uit het water opgenomen.        
Lichaamsbouw: Het lichaam is sterk afgeplat, niet gesegmenteerd en tweezijdig symmetrisch opgebouwd. De lengte van de dieren varieert van 0,5 tot 4 cm. Het kopgedeelte is meestal nogal uitgesproken en bevat 2 of meer primitieve ogen of oogvlekken.      
Voortplanting: Platwormen zijn tweeslachtig, maar toch is kruisbevruchting nodig om eieren te kunnen ontwikkelen. De eieren worden gelegd in cocons die vrij in het water worden afgelegd, soms worden ze vastgemaakt aan stenen of planten. Het duurt enkele weken voor de eieren ontwikkelen tot kleine platwormen. In bepaalde gevallen kan er ook ongeslachtelijke voortplanting zijn door een overlangse splitsing in twee of kleine stukken (tot een duizendste deel!).

  1. Crenobia alpina
  2. Melkwitte platworm
  3. Bdellocephala punctata
  4. Zwarte platworm
  5. Bruine platworm
  6. Veelogige bronnenplatworm
  7. Gewone veelogige platworm

B.  Bloedzuigers   [terug]      

Voedsel: Bloedzuigers zijn rovers of meestal vrijlevende (ecto-)parasieten. Het voedsel bestaat uit lichaamsvocht, bloed of dierlijk weefsel van ongewervelden (de meeste soorten) of van gewervelden.
Voortbeweging: Ze kunnen zwemmen, kruipen, lopen, zich oprollen… met behulp van hun zuignappen en de segmentringen. Je vindt ze meestal op stenen of op planten, tegen de stroming in.
Ademhaling: Zuurstofgas wordt door de huid heen opgenomen. Ze kunnen enkele dagen zonder zuurstofgas overleven en zijn daardoor kenmerkend voor matig tot sterk verontreinigde wateren.
Lichaamsbouw: Het afgeplatte lichaam bestaat uit 33 segmenten die elk nog eens onderverdeeld zijn in verschillende segmentringen (aantal verschilt per soort). Door deze ringen kan de vorm van het lichaam sterk variëren in de lengte en de breedte. De grootte varieert van 0,5 tot meer dan 15 cm. Ze bezitten twee zuignappen op de buikzijde die meehelpen bij de voortbeweging, de vasthechting en het eten. Ze hebben 2 tot 10 ogen afhankelijk van de soort.
Voortplanting: Bloedzuigers zijn tweeslachtig. De bevruchting heeft plaats tussen twee dieren en is wederzijds. De broedzakjes worden of afgezet op harde substraten of worden op de buikzijde meegedragen.

  1. Visbloedzuiger: Als hij honger krijgt zet hij zich vast op een plant en wacht daar soms dagenlang tot er een geschikte prooi langskomt. Hij blijft een paar dagen zitten en laat dan los. De vissen die bezocht worden door de bloedzuiger lopen vaak infecties op waardoor ze vaak klein blijven. Als de bloedzuiger in de kieuwen van een vis terecht komt, kan hij daar tot 4 weken blijven zitten. Hierdoor zorgt hij er dan voor dat de vis meestal sterft.
  2.  Tweeogige bloedzuiger: Gemakkelijk te herkennen aan de twee ogen en een donkerbruin plaatje tussen de tiende en twaalfde ring op de rugzijde. Het wordt tot 15 mm groot en is wit tot grijsbruin. Ze voeden zich met borstelwormpjes, slakken, mosseltjes, watervlooien, vlokreeften en ook dode vissen en amfibieën.    
  3. Bonte tweeogige bloedzuiger
  4. Gezoomde bloedzuiger
  5. Brede bloedzuiger
  6. Doorschijnende bloedzuiger
  7. Achtogige bloedzuiger: Het voedsel wordt in zijn geheel opgeslokt. Het bestaat uit insectenlarven, wormachtigen, kreeftachtigen en jonge van andere bloedzuigers. Ze kunnen tot 11 cm groot worden en sterven vaak na de voortplanting.  
  8. Onechte paardenbloedzuiger

C. Borstelwormen    [terug]

Voedsel: De meeste borstelwormen zijn substraateters: ze voeden zich dan met humus en organisch afval. Sommige zijn rovers of voeden zich met micro-organismen.
Voortbeweging:
Ze kunnen zwemmen of kruipen, maar de meeste zitten met hun kop in het slib op de bodem. Met hun achtereinde vormen ze dan soms een heel kluwen.
Ademhaling:
Door de huid.
Lichaamsbouw:
Ze hebben een langgerekt wormachtig uiterlijk dat onderverdeeld is in ringvormige segmenten die van elkaar gescheiden zijn door diepe groeven. Vooraan op het eerste segment bevindt zich de mondopening en achteraan de anaalopening. Soms zitten er op het eerste segment ook primitieve ogen.
Op ieder segment zitten er ook 2 paar bundels borstelvormige haren. De geslachtsopening bevindt zich in het zadel, een kliervormige verdikking op 1/3 van de mondopening.
Voortplanting:
Borstelwormen zijn tweeslachtig en planten zich gewoonlijk geslachtelijk voort, maar knopvorming kan in sommige gevallen ook. Tijdens de geslachtelijke vermenigvuldiging doen de uitwendige klieren het zadel zwellen, dat het eikapsel afscheidt. Het eikapsel wordt op de bodem of op waterplanten afgezet.

  1. Waterregenworm
  2. Waterslangetje
  3. Rode slingerworm
  4. Broze slibworm
  5. Limnodrilus hoffmeisteri

D.  Weekdieren   [terug]

Voedsel: De zoetwaterweekdieren voeden zich meestal met materiaal van plantaardige oorsprong. Naast waterplanten kan dit voedsel ook bestaan uit microscopische wiertjes. De slakken maken gebruik van een radula (rasptong) om hun voedsel op te nemen, de mossels filteren het water dat binnenkomt via de opening.
Voortbeweging:
De slakken gebruiken hun voet (een spier onderaan de slak) om voort te kruipen. De mossels blijven meestal op de bodem zitten maar kunnen door het snel sluiten van de schelp kleine sprongetjes maken om zich te verplaatsen.
Ademhaling:
Gebeurt in de mantelholte waarin een long of kieuw zit
Lichaamsbouw:
Karakteriserend is de aanwezigheid van de ventrale voet en een mantel. Bij de slakken zal het lichaam omsloten worden door een spiraalvormige schelp, bij de mossels zijn er twee kleppen die gesloten kunnen worden.

  1. Erwtenmossel
  2. Hoornschaal
  3. Ovale kaphoornslak
  4. Gewone schijfhoornslak
  5. Posthoornslak: In tegenstelling tot de andere slakken maakt de posthoornslak gebruik van hemoglobine (net zoals de mens) en heeft ze dus rood bloed. Hierdoor, en door de aanwezigheid van een secundaire kieuw, moet de posthoornslak minder vaak naar het wateroppervlak. In zuurstofgasrijk water moet dit zelfs helemaal niet. Ze zijn tweeslachtig en zowel zelfbevruchting als wederzijdse bevruchting komt voor. Het eipakket heeft de vorm van een koekje en wordt aan planten gehecht.
  6. Moeraspoelslak
  7. Gewone poelslak: De poelslakken zie je vaak ondersteboven aan het wateroppervlak hangen wanneer ze lucht opnemen in hun, met bloedvaten voorziene, luchtkamer. Als de slak voortkruipt doet ze dit niet rechtstreeks op het substraat, maar op een slijmlaag dat voor aan de voet afgescheiden wordt. De poelslak is tweeslachtig en de eitjes zitten in een langwerpige cocon.   
  8. Slanke poelslak
  9. Diepslak: Eet detritus en het eilegsel is bandvormig met daarin 50-70 in rijen gerangschikte eieren. Kleine slak (9 mm hoog en 6 mm breed) met een operculum dat volledig aan de buitenrand van de mondopening gelegen is.
  10. Stompe moerasslak
  11. Spitse moerasslak

E.  Schaaldieren   [terug]

Voedsel: De meeste schaaldieren zijn afvaleters of alleseters. Sommige soorten kunnen echter beschouwd worden als strikte planten- of vleeseters. De karperluizen staan hierbuiten, zij parasiteren op het bloed van hun gastheren. De kleine dieren, bv watervlo en mosselkreeft, gebruiken hun poten om een waterstroom te maken en zeven er de voedseldeeltjes uit. Grotere soorten grijpen hun voedsel met hun grijppoten. Pissebedden grazen eerder substraten af.
Voortbeweging:
De kleinere dieren gebruiken hun roeipootjes om zich te verplaatsen. Hogere schaaldieren gebruiken hun looppoten om over het substraat te lopen. 
Ademhaling:
Mosselkreeftjes, watervlooien, eenoogskreeftjes en karperluizen nemen zuurstofgas op door de huid. De pissebedden gebruiken hun zwempoten en vlokreeften en de rivierkreeft hebben echte kieuwen.
Lichaamsbouw:
Je hebt binnen de schaaldieren drie bouwplannen.
De blad- of kieuwpotigen: Kenmerkend voor deze soorten is dat ze een wisselend aantal lichaamssegmenten hebben en 10 of meer splijtpootjes ter hoogte van het borststuk.
De karperluizen: Dit zijn sterk afgeplatte dieren met een stevig rugschild. Ze hebben ook een paar zuignapjes om zich vast te houden aan vissen. Ze hebben 4 paar splijtvormige zwempoten en het achterlijf is weinig ontwikkeld.
Hogere schaaldieren: Je hebt in principe steeds 8 borstsegmenten en 6 achterlijfsegmenten en per segment heb je 1 paar splijtpoten. Toch zal je dit niet direct terugzien bij alle dieren omdat er vaak segmenten samengesmolten zijn en de poten vaak van vorm veranderen naargelang hun functie, bv de grijppoten van kreeften, de kaken van krabben…
Voortplanting: Je hebt zowel mannetjes als vrouwtjes bij de schaaldieren, maar ook ongeslachtelijke voortplanting komt voor. Dit laatste gebeurt vooral bij de kieuw- of bladpotigen waarbij je bij sommige soorten zelfs maar heel af en toe een mannetje vindt in Vlaanderen.
De andere schaaldieren leggen eitjes. Bij de meeste soorten worden deze eitjes niet zomaar los gelaten in het water, maar worden ze een tijd lang meegedragen door de volwassen dieren. Dit kan in een speciale broedbuidel zijn of aan de poten.

  1. Mosselkreeftje: Kleine (tot 1,5 mm) dieren, maar toch zeer sterk. Ze kunnen moeilijke periodes van droogte goed doorkomen als ei, maar ook als larve of volwassen dier. Zo kunnen de eitjes na 30 jaar toch nog uitkomen.
    Ze hebben een tweekleppige schaal en verplaatsen zich door het slaan met hun voelsprieten. Ze eten rottende bladeren en dieren. 
     
  2. Watervlo: Om te kunnen eten zal het dier met de buikpootjes een waterstroom op gang brengen om dan het eten uit het water te zeven. Er zijn speciale aanhangsels aan de poten om zuurstofgas uit het water op te nemen en in een zuurstofgasarm milieu zal het dier hemoglobine aanmaken. Het grootste deel van het jaar vind je enkel vrouwtjes die onbevruchte eitjes leggen waaruit weer vrouwtjes komen. Enkel in ongunstige omstandigheden worden er ook mannetjes geboren. Na paring leggen de vrouwtjes dan eitjes die de ongunstige periode kunnen doorkomen. 
  3. Eenoogskreeftje: Ze worden tot 4mm, maar de meeste blijven wel kleiner. Het eerste paar antennen is zeer lang en tussenin zit er een oogvlek die het dier zijn naam verleent. Ze zijn goed herkenbaar aan de twee eizakjes aan het achterlijf. Hier zitten twee soorten van eitjes in. Een soort die snel uitkomt en vooral wijfjes levert en een tweede tragere soort die slechte periodes overbrugt. De volwassen dieren kunnen ook een slijmmantel maken waarin zich cysten vormen om ook zo droogte en vriesperiodes door te komen.  
  4. Karperluis: Het zijn parasieten die zich met het bloed van vissen voeden, vooral karperachtigen. Ze zijn sterk afgeplat met een vinvormige staart.  
  5. Zoetwatervlokreeft: Is wat lichaamsbouw betreft een evenbeeld van de roze garnaal die ook voor consumptie gebruikt wordt. Ze beweegt zich in schokjes zwemmend voort door het uitklappen van het achterlijf. Indien het dier niet verstoord wordt dan kruipt het rustig over de bodem.  
  6. Europese rivierkreeft: Komt in Bastion VIII af en toe uit de grote vijver. Herkenbaar aan zijn grote en typische uiterlijk. 
  7. Zoetwaterpissebed: Ze stellen weinig eisen aan het water, er moeten wel voldoende rottende stoffen aanwezig zijn als voesdsel. Soms zie je twee pissebedden op elkaar. Het grootste dier is het mannetje dat een aantal dagen rondloopt met onder zich het kleiner vrouwtje. Tijdens de paring liggen de dieren met hun buikzijde tegen elkaar.

F.  Waterwantsen   [terug]

  1. Vijverloper
  2. Schaatsenrijder
  3. Beekloper
  4. Waterschorpioen
  5. Staafwants
  6. Bootsmannetje
  7. Dwergruggenzwemmer
  8. Duikerwants
  9. Platte zwemwants
  10. Gevlekte zwemwants

G.  Kevers   [terug]

  1. Diksprietwaterroofkever
  2. Laccophilis minutus
  3. Hygrotus inaequalis
  4. Moeraswaterrooffkevertje
  5. Gewone snelzwemmer
  6. Plasduiker
  7. Gewone geelrand
  8. Tuimelaar
  9. Helophorus sp
  10. Grote spinnende watertor
  11. Schrijvertje
  12. Watertreder
  13. Modderkever

H.  Nimfen van eendagsvliegen (haften)   [terug]

  1. Caenis sp
  2. Cloeon sp
  3. Baetis sp
  4. Ecdyonurus sp
  5. Rithrogena sp
  6. Heptagenia sp

I.   Nimfen van glazenmakers  [terug]

  1. Glanslibellen
  2. Glazenmakers
  3. Rombouten
  4. Korenbouten 

J.   Nimfen van waterjuffers [terug]

  1. Beekjuffers
  2. Pantserjuffers
  3. Breedscheenjuffers
  4. Waterjuffers

K.  Kokerjuffers   [terug]

  1. Limnephilidae
  2. Phryganeidae
  3. Lectoceridae

L.   Larven van vliegen en muggen  [terug]

  1. Kriebelmug
  2. Dansmug
  3. PLuimmug
  4. Meniscusmug
  5. Glansmug
  6. Motmug
  7. Watervlieg
  8. Langpootmug
  9. Daas
  10. Wapenvlieg
  11. Steekmug
  12. Zweefvlieg
  13. Steltmug

M.  Zoetwaterpoliep, watermijt, steenvliegen en slijkvliegen   [terug]

  1. Zoetwaterpoliep
  2. Watermijt
  3. Steenvlieg
  4. Slijkvlieg